But in Dutch, of course, it sounds much nicer

0

In de vijf weken dat ik hier al verblijf, ben ik nog geen enkele andere Belg tegengekomen in Londen. Dat is echter geen reden om radeloos op mijn duim te staan zuigen. Zo hoort het niet op Erasmus. En aan andere continentale Europeanen is er zeker geen tekort, King’s College heeft een ontzettend levendig Study Abroad-netwerk, waardoor je mensen ontmoet met de meest vergezochte nationaliteiten — van zowel binnen als buiten de Schengenzone. Zo heb je van die avonden waar er niet eerst naar je naam gevraagd wordt, maar naar je land van herkomst. Blijkbaar maakt je nationaliteit een allesbepalend onderdeel uit van wie je bent als persoon. Het voelt een beetje aan zoals in de supermarkt bij de charcuterie, waar alle exotische kazen een vlagje van hun land van herkomst hebben opgeprikt. En in dat gezelschap was ik als Belg zo niet de meest exotische, dan wel de meest schaarse kaas van het hele aanbod — ik was er namelijk de enige.

 

Ik lieg. Eén andere Belg heb ik ontmoet. Maar hij was geen van ons, het was een jonge twintiger die zijn doctoraat mocht maken aan King’s College en in die hoedanigheid een van mijn lessen sociolinguïstiek  bijwoonde op de laatste rij. Op zijn brilletje na was hij de perfecte Kuifje — een open, jong gezicht met pientere ogen, een lippenloos mondje, en dan dat neusje. Ik bleef in het ongewisse over zijn herkomst, tot de lesgeefster aankondigde dat “now Cedric will give a short talk about a case-study concerning language politics in his native Belgium.” De lesgeefster zag hoe verrast ik keek, ze vroeg waarom. “I am from Belgium as well,” zei ik, en voegde toe hoe toevallig ik het vond dat de eerste Belg die ik tegenkwam in Londen meteen ook een powerpoint-presentatie ging geven over zijn en mijn thuisland. Cedric’s praatje kan samengevat worden als ‘Belgiës ingewikkelde taalsituatie voor dummies’. 11 miljoen — drie gewesten — Ijzertoren, AVV VVK, die aloude running gag van Vlaamse soldaten die bevelen in het Frans kregen en als gevolg meteen neergekogeld werden.

 

Als je op Erasmus bent moet je vrienden gaan zoeken. Niet dat je de stad niet alleen kan gaan ontdekken, maar je ziet meer als je met meer bent. Vaak verloopt het zo dat de Erasmusstudenten van dezelfde thuisuniversiteit — of tenminste hetzelfde thuisland — samenklitten en als één nationale kaasplank samenblijven. Als schaarse kaas moest ik mijn plank elders vinden. Maar uiteindelijk spring je natuurlijk van de ene plank naar de andere — eind december is het al gedaan! Misschien is dat wel de rol weggelegd voor de Belg, de mogelijkheid om je met heupen en schouders tussen de barrières te wringen en ergens te belanden waar het fijn is. De lesgeefster die ik daarnet noemde is een Griekse, en gebruikt daarom vaak woorden als ‘polyfoon’, een term die eigenlijk heel goed de stad beschrijft. Ontelbaar zijn de anekdoten waarbij de ene Erasmusstudent een woord uit zijn moedertaal aan een andere probeert uit te leggen. Dat procedé vind ik altijd stiekem hilarisch, omdat het steeds volgens hetzelfde typische patroon verloopt: “In Germany we call it ‘die Mannschaft’, which sort of means ‘the team’. But in German, of course, it sounds much nicer.” “We use the word ‘dégueulasse’, which kinda means ‘sick-making’. But in French, of course, it sounds much nicer.” Gelukkig ben ik talenstudent. Over Louis Paul Boon zei men wel eens dat hij, ondanks zijn literaire genie, ‘te korte beentjes’ had om buiten Vlaanderen iets te betekenen. Maar als je tong lenig genoeg is, vergeet je je korte beentjes (voor even).

 

Uiteindelijk ben je allemaal student, van dezelfde leeftijd, en zit je allemaal vast in dezelfde metropool. Ik herinner me een lang-voorbije nacht waarbij ik met kotgenoot Mitch, een forse Amerikaan van de universiteit van Pennsylvania met schaterend blond haar en schattige bolle wangetjes, in een dronken gesprek over de dingen des levens verwikkeld was. We hadden het over Londen. Over hoe ik toch een gevoel van andersheid ervoer hier, ondanks het feit dat de Engelse cultuur vrij dicht bij de mijne staat. Het enige verschil is de schaal ervan, vond ik. “But the difference in scale, that’s exactly the point!”, merkte Mitch gretig op. Hij is zo iemand die zich steeds handenwrijvend op eender welke discussie stort. “The scale of London is what makes it different. It is different because of the scale. The culture of the city is defined by the scale of the city.”, verklaarde hij hooghartig, en verdween daarna tussen de bomen van Hyde Park om ergens te plassen.

 

Die enorme schaal van Londen kan je pas vatten als je hem werkelijk gevoeld hebt in je benen en in je voeten. In de vroege uurtjes van de nacht terugkeren van een feestje in de andere kant van Londen naar waar je kot is, als er geen metro’s meer rijden en nachtbussen zeldzaam zijn. En ik heb het dan nog gemakkelijk, als jongen, verderop zijn er de meisjes die op hakken en met rillende schouders dapper de kilometers naar huis aangaan. Dan loop je daar, met enkele kotgenoten die elk een andere moedertaal spreken, langs een verlaten Trafalgar Square. Waarvan twee Parisiennes met zere voeten vloeken in het Frans met een forte die heel het plein inpakt — en dat aan de voet van admiraal Nelson. Je bent in centrum Londen, maar je hebt geen idee. Dan steek je de Theems over op de Millennium Bridge, met achter je de gloed van St. Paul’s en je beseft opeens dat jij en de anderen als enigen op de hele brug zijn en dat het zo donker is dat je andere kant niet eens kan zien. Maar in de verte zie je die grote klok staan, ook al valt niet te lezen hoe laat het is. Met je jas tot bovenaan dichtgeritst en je handen diep in je zakken begraven, zeg je tegen de ander: “Look at that view. Back home, in Ghent, we say ‘niet the schatten’. It means ‘impossible to guess’.” De andere snapt het niet, je voegt toe: “But in Dutch, of course, it sounds much nicer.”

 

Thomas Debrock, taal- en letterkunde Engels-Spaans, aan Kings College London

Reacties

Share.

About Author

Leave A Reply