De pretfabriek: een foorkramersinterview

0

De pretfabriek

De mens achter de oliebollengeur, het geboenke-boenke en de marginalenmagneet

Wie aan foorkramers denkt, denkt aan zigeuners. Marginalen. Een hoopje ongecultiveerde incestueuzen. En afgaande op het discours van het Antwerpse bestuur, wordt het maar eens tijd dat ze plaats ruimen voor een wat moderner vermaak. De kermiskramers van vandaag zijn echter serieuze ondernemers, en ze willen maar al te graag de oude vooroordelen (“Vuil zigeunervolk! Ons land, ze maken ons land kapot!”) naar het verleden bonjouren. Op de traditioneel drukke afsluitzondag van de Halvastenfoor trok Dilemma richting einder, botsauto en oliebolgeur, op zoek naar de waarheden achter het kermisvolk.

Onze eerste stop is de kinderversie van de traditionele botsauto’s: twee dames, één van middelbare en één van vergevorderde derde leeftijd, staan ons te midden van knallende europop hartelijk te woord. De voertaal is, zoals vaak in het milieu, een Frans met heel wat Brussels haar op, maar Esmeralda (*) en Mathilde gooien er te pas en te onpas ook een Nederlandse term tussen.

Lieve Esmeralda, hoe ben je foorkramer geworden?

“Zoals de meesten hier: door mijn familie. Mijn ouders staan hier nog met een installatie, een handvol neven en vrienden doen exact hetzelfde als ik. Het is eigenlijk een klein wereldje op zich, iedereen kent elkaar. Heb je ouders die foorkramers zijn, dan word jij het hoogstwaarschijnlijk ook.”

Hoe kan iemand zonder foortradities in zijn bloed dan ooit een kramer worden?

“Dat is heel moeilijk en het gebeurt ook erg weinig. Je zou al een foraine moeten zoeken en ermee trouwen.”

Dan zou ik al zo’n meisje moeten vinden. Waar lopen de kinderen trouwens school?

“Er is een speciaal internaat in Etterbeek (Brussel), waar enkel foorkramerskinderen  en schipperskinderen studeren. Voor de kleuters is er een schooltje dat telkens meereist met de kermis, en waar één leerkracht continu les moet geven.”

Met kinderen die de job van hun ouders automatisch overerven en door een soort micromaatschappij die erg op zichzelf gesteld is, loert het gevaar van de stempel ‘marginalen’ om de hoek. Een treffend, maar schrijnend voorbeeld is de commotie rond de Sinksenfoor. Zoals hier in Gent, is er ook in Antwerpen een jaarlijkse kermis, pal in het centrum. Vanwege vermeende geluidsoverlast hebben enkele buurtbewoners, die nochtans goedkopere grond konden bemachtigen net door die jaarlijkse foor, een klacht ingediend tegen de forains. Die zouden nu verplicht worden om in de koude uithoeken van ’t Stad (naar verluidt al op de parking zelf) hun kramen op te zetten. Het koude discours van het Antwerpse bestuur stelt het duidelijk: het vermaak van de kermis is lage cultuur en dient geband  te worden. Als we de kwestie voorleggen aan onze bevallige dames, is de irritatie voelbaar.

“Dat hele gedoe komt in essentie door één persoon die heel recent verhuisd is, die wist dat Sinksenfoor daar jaarlijks zou komen, en die desondanks een klacht ingediend heeft. Los van het feit dat het al jarenlang een traditie is, zijn het ook maar een paar enkelingen die er last van lijken te ondervinden, terwijl het inkomen van honderden mensen ervan afhangt. Dat discours tegen ons als foorkramers wordt trouwens meer en meer voelbaar. Bart De Wever doet gretig mee. Onze stem heeft hij alvast verloren.”

Toch lijkt de toekomst van de foorkramers verzekerd. De dochter van de minst verlepte maar nog steeds in nood van een strijkijzer zijnde dame, is ons komen vervoegen en terwijl ze haar moeder kalmeert, vertelt ze ons in mooi Nederlands over haar ambities.

“Ik wil zelf ook foorkramer worden. Waarom? Dat weet ik zelf niet. Als kermiskindje sta je er zelfs niet bij stil, het is gewoon vanzelfsprekend. Er is altijd sprake van een lange traditie, en je voelt de plicht en de wil om die voort te zetten. Het is dan ook het enige leven dat ik gekend heb.”

We laten de europop van de botsauto’s achter ons, en ruilen ze in voor… meer europop. Van het eendjeskraam “Ducky Los Piratos” ditmaal, waar één van de twee uitbaters, sigaret te mond, onze vragen gretig beantwoordt. Zijn kompaan tracht ondertussen kindjes te lokken met zijn lange en grote microfoon. Zonder succes. En de eendjesrivier, zij stroomde voort.

Hoe ben je foorkramer geworden, Dimitri (*)?

“Als kind was ik al gefascineerd door de lichtjes, de geuren en de geluiden. Een aantal jaren geleden heb ik dan de beslissing genomen om de stap te zetten, en op zoek te gaan naar een kraam. Ik moet zeggen, daarin ben ik wel een uitzondering. Om te weten wat er te koop is, hoe je aan een kraam geraakt, waar en wanneer de foren plaatsvinden… Het duurt allemaal even vooraleer je het doorhebt. Het is gewoon een enorm gesloten wereld.”

Doe je het graag?
“Ik ben heel blij met mijn leven. Ik doe het nu al zo’n 30 jaar en het gaat nog steeds niet vervelen. Rijk word je er alleszins niet van, maar als je gepassioneerd bent als ik, is dat zeker geen obstakel.”

Hebben er zich in de loop van die 30 jaar grote veranderingen voorgedaan in de foorkramerbusiness?

“Ja, maar je moet eerder spreken over een geleidelijke evolutie: de stiel verandert, maar stelselmatig. De attracties worden beetje bij beetje groter, het plezier wordt beetje bij beetje spectaculairder. (wijst in de verte) Kijk eens hoe hoog die attracties komen. Vroeger was dat totaal het geval niet.”

Is er nog toekomst voor kermissen?

(gedecideerd) “Absoluut. Het is ook zeker niet zo dat we nu minder volk zouden lokken, zoals je wel eens hoort. Het grootste probleem is en blijft echter het gebrek aan publiciteit. Kermis is een product van verschillende mensen samen, een geheel dat tot stand komt door zijn afzonderlijke deeltjes. Door dat gebrek aan een centraal beleid bestaat er ook geen promotie voor kermis. We hebben dus eigenlijk een centrale motor nog, zoals bij andere beroepen (Dimitri verwijst naar associaties genre de Boerenbond, nvdr) al vaak het geval is. Op die manier kunnen we tenminste aan mensen presenteren wie we zijn, wat we doen en wanneer we komen. Maar goed, op deze manier lukt het ons ook aardig. De Halfvastenfoor van dit jaar was bijvoorbeeld zeker geslaagd. Het wordt nog lastig in de toekomst, maar kermis gaat niet uitsterven.”

Zo’n centraal beleid zou ook al veel helpen om jullie de klassieke stempel van zigeuners/marginalen te doen verliezen. Zo vragen mensen zich af wat jullie in de winter doen. Rumor has it dat jullie een winterslaap doen. Letterlijk. Dat jullie holletjes graven in de bossen, een voorraad smoutebollen naar binnen spelen, en vier maanden slapen. Dat klopt, vermoeden we?

“Er is wel een figuurlijke winterslaap, ja. Rond november houden we er allemaal mee op, wordt er gezorgd voor het onderhoud van de kramen, wordt er even uitgerust. De laatste jaren komen er echter meer en meer winterkermissen, waardoor we toch geen maanden zonder werk zitten.”

Dimitri stelt zelf ook dat hij de marginalenstempel elke dag weer tegen het besnorde gezicht aangeduwd krijgt. Het beeld van ‘de idiote foorkramer’ kan echter niet bedrieglijker: deze mensen zijn ondernemers, die vaak miljoenen euro’s investeren in hun kramen, en die daarbij zoveel geld verdienen dat ze jaarlijks drie à vier maanden kunnen rusten.

“Echte zigeuners kan je ons niet noemen. Velen onder ons hebben fantastische caravans of zelfs echte huizen. Anderzijds begrijp ik die beeldvorming wel: mensen zién gewoon niet wat er achter de schermen gebeurt. Dat begint nu ook meer en meer over te slaan op het wettelijk kader. Elk jaar moeten we een extra attest invullen of krijgen we brieven over nieuwe regels. Voor brandveiligheid alleen al moet er ondertussen een volledig boek in orde gebracht worden. In dat opzicht is het in deze tijd veel lastiger dan vroeger, en dat heeft veel te maken met die beeldvorming, denk ik.”

Om af te sluiten dan, Dimitri: wat is kermis?

“Kermis is een fabriek die pret produceert. Op een bepaald moment gaan de lichtjes aan, speelt de muziek, draaien de machines, en de individuele foorkramers vormen een soort orkest. We zorgen voor een magisch geheel, we creëren de illusie dat de pretfabriek er altijd is en altijd zal zijn. De kinderen vinden het als het ware een verloren wereld die nooit opgebouwd is, maar op zich bestaat. Maar kom hier ’s maandags eens een kijkje nemen: een leeg plein, meer is het niet meer. De magie is een illusie, maar wij kunnen ze toch op de kinderen overbrengen.”

Sam Ooghe en Florian Deroo

 

(* de namen in dit artikel zijn vervangen door verzonnen namen, om de privacy van de foorkramers te respecteren, en ook omdat wij ze vergeten vragen zijn. Maar vooral privacy.)

Reacties

Share.

About Author

Sam Ooghe

Scriptor 2015-2016. Over het algemeen ben ik een eikel, maar ik kom er altijd wel mee weg. Ik draag mijn pet achterover. Kan wel niet skaten.

Leave A Reply