Muren slopen in het rusthuis

0

Met Don Quichot de la Mancha schreef Cervantes veel meer dan een verhaaltje over windmolens

In ‘De vijf werken van de filoloog’ belicht de redactie van Dilemma vijf (echt waar) briljante boeken, titels die iedereen wel kent ‘van horen’ of ‘van Keunen’, maar die meer verdienen. Veel meer. Op z’n minst een bescheiden leesbeurt van een zichzelf respecterende letterkundige in spe. In de vorige editie maakte (bds) jullie warm voor Het Proces van Kafka, deze Dilemma enthousiasmeert jullie voor een veel beter werk: Don Quichot de la Mancha van Miguel de Cervantes, het op de Bijbel na meest vertaalde boek in de geschiedenis. Met een goedkope ‘die roman met die windmolens’ kom je voortaan niet meer weg.

 

Een 17e-eeuwse slapstick over een dolgedraaide edelman die flater na flater begaat en uiteindelijk sterft, gebundeld in twee lijvige boeken; Don Quichot kan voor de beginnende letterkundige vooral infantiel lijken in vergelijking met andere giganten uit het Westers canon. Toch wordt het werk meer dan eens op nummer één gezet als beste staaltje literatuur ooit (al lijkt het briljante Gewoon Joy nu definitief die plaats te claimen). Maar het lijkt alsof het ene bekende beeld – Quichot die windmolens als reuzen aanziet en ze probeert aan te vallen – het enige is dat het grote publiek wil onthouden van de roman, waardoor het veel te eenzijdig en oppervlakkig ingeschat wordt. Want de molens doen er niet toe. Wat dan wel?

Miguel de Cervantes was, in frituurtermen, een spécialleke. In zijn jonge jaren vocht hij gewillig mee met het leger, blonk hij uit, klom hij op en verloor hij een hand in de slag van Lepanto. Vervolgens belandde hij in en uit de gevangenis en op zijn oude dag besloot hij om uiteindelijk toch maar eens één van de beste boeken ooit te schrijven. In 1605 verscheen deel één van zijn huzarenstukje, Don Quichot de la Mancha. Oppervlakkig gelezen is dat een sappige satire op de in die tijd courante en sensationele ridderromans: Quichot leest ze voortdurend, verwart fictie met werkelijkheid en gelooft na een tijdje zelf dat hij een ridder is. Het boek staat bol van verwijzingen naar de sensatieliteratuur van 1600 in de vorm van formules, namen, taalgebruik, titeltjes, en ga zo maar door; de gepensioneerde Cervantes gaat de topoi van de 17e-eeuwse popcultuur belachelijk maken en man, dat vonden zijn tijdgenoten hilarisch. We weten dat de eerste lezers van het werk geen dubbele bodem zochten, maar gewoon hard moesten lachen. Voor ons is dat minder  evident. We missen enorm veel clues, gewoonweg omdat satire geënt is op de cultuur die ze aanvalt, en wij die cultuur niet kennen. Waar we wél mee kunnen lachen, is het belachelijk pompeuze taalgebruik, met ellenlange zinnen, kettingconstructies, moeilijke en technische woorden, allemaal totaal verkeerd gebruikt. Het is een beetje zoals een West-Vlaming die geïnterviewd wordt tijdens het Journaal en denkt dat AN praten gelijkstaat met archaïsche woorden en constructies te gebruiken, waardoor hij gewoon een mal figuur slaat. Don Quichot is uitlachliteratuur. Niks mis mee.

cervantes soldaat

Is er een ridder in de zaal?

Maar er schuilt heel wat meer in de tekst. Cervantes schetst een verloren, naïeve ridder die met aristocratische goedheid en vechtlust de moderne wereld intrekt, maar telkens gedesillusioneerd het hoofd moet buigen. Eén van de vele voorbeelden is de emblematische strijd tegen de windmolens, die Quichot ten onrechte aanziet als reuzen met molenwiekende (wow, daar komt dat woord vandaan!!) armen. Op zich is de scène niet zo belangrijk, ze is gewoon de eerste van een reeks passages die illustreren hoe het hoofdpersonage volledig van lotje getikt is; elke passage in het eerste boek had even goed de geschiedenis in kunnen gaan, maar het werd de eerste. Dat is zo omdat mensen lui zijn.

Quichot wordt gedurende de hele geschiedenis trouw gevolgd door een lompe burger, Sancho Panza, die enkel uit is op kortstondig genot en geld, maar die tenminste met zijn twee voeten in de wereld staat. Volgens de klassieke lezing beschreef Cervantes op deze manier hoe in de moderne maatschappij (die van 1605) de burgerij de macht grijpt, hoe realisme en pragmatiek de nieuwe words to live by zijn. De aristocraat leeft in het verleden, is zelf archaïsch, en sterft op het einde van het verhaal, zoals hij dat ook symbolisch doet/zal doen in de echte wereld. Kort voor zijn dood zal Quichot trouwens tot zijn positieven komen en beseffen dat zijn waarden en daden niet meer van de huidige wereld zijn; hij ondergaat als het ware een burgerlijke verlichting, een pragmatisch laatste sacrament, en kan rustig sterven.

Maar hier schuilt één van de tegenstellingen van het werk: het hoofdpersonage wordt dan wel voortdurend belachelijk gemaakt door moderne burgers en hun sociaal aanvaard egoïsme, de zogezegd archaïsche waarden die hij uitdraagt zijn wel superieur aan die van de realisten. Quichot geeft geen zak om geld, behandelt alle vrouwen als koninginnen en wil dieven eigenhandig in de cel gooien, terwijl Sancho Panza steelt, vlucht, en enkel wil slapen en eten. Is Cervantes dus een nostalgicus? Volgens deze lezing zou hij alvast een rouwende aristocraat zijn, mijmerend over christelijke tijden, denkend aan hoe het vroeger was en hoe de huidige, kwaadaardige wereld al het adellijke en het goede verhindert. Waar geld regeert, is geen plaats voor ridders. Arme Cervantes.

Gedachten over het denken

Andere stemmen spreken over Don Quichot als een literaire dekmantel om een filosofische verhandeling te schrijven over een eeuwenoud debat: welke rol speelt de geest en welke speelt het lichaam? Zo is het verhaal van Cervantes een allegorie: Quichot is het verstandelijke idee, de geest, de droom, terwijl Sancho het lichamelijke en het vergankelijke of de praktijk voorstelt. De tekst met haar aaneenrijging van blunders door verstandelijke dwalingen representeert de onmacht van de ideeën die groeien in de hersenen tegenover de werkelijkheid, de reële feiten die altijd superieur zijn aan wat jij of ik nu aan het denken bent. De flaters van Quichot stellen ons zo voortdurend voor dezelfde evidentie: de geest mag vormen wat ze wil, maar als het de werkelijkheid niet mee wil, ben je gedoemd. In windmolentermen: je mag je inbeelden wat je wil over reuzen en heroïek, maar wanneer je met je lans tegen de muur van molen loopt, is het enige reële in je ervaring de fysieke pijn van het vergankelijke lichaam. Cervantes schreef dit verhaal niet toevallig op het moment dat zijn gezondheid stokte; pienter was hij zeker nog, hij schreef namelijk nog een memorabel werk tijdens zijn pensioentje, maar wandelen deed pijn en de thuiszorgster moest zijn oksels wassen. Elke dag dacht en schreef hij, maar wat doet dat ertoe als de realiteit je inhaalt? Dat is de sfeer van het hele verhaal: het verstand is ijdel, de feiten pakken je op snelheid.

Maar toch. Cervantes heeft een eigen paradoxje gecreëerd door die boodschap in zo’n meesterwerk te verpakken. Enerzijds gaf hij verbitterd toe dat de geest het uiteindelijk toch moet afleggen tegen de natuur, een beetje zoals Quichot dat op zijn sterfbed ook doet, en dat denken ijdel is wanneer je het lichaam er niet voor hebt. Anderzijds is net dat hersenspinsel, in de vorm van zijn boek, deel geworden van ons collectief geheugen, want Don Quichot wordt nog elke dag gedrukt en gelezen. Denken is ijdel dus, maar Cervantes’ gedachten erover hebben de tijd wel verslagen; 400 jaar nadat hij kreunend van de rugpijn met zijn veer schreeuwde dat denken er eigenlijk niet toe kan doen, denken we met hem mee. En zijn lichaam en dat van een generatie of vijftien, dat ligt al lang onder  de grond van één of andere reuzenwindmolen.

Je steelt geen roman / Plagiaat is een misdrijf

Maar wat doet al dat extratekstueel en filosofisch geleuter ertoe als we kunnen praten over literaire technieken, bitch?! Don Quichot was geweldig revolutionair door zijn ongekende levels aan metaliteratuur. Het zit zo: in 1605 publiceerde Cervantes het eerste deel van zijn chef-d’oeuvre, zonder zelfdwingende intenties om op zijn oude dag een sequel te moeten schrijven – hij wist toen al dat die algemeen genomen sucken. Door de populariteit van het werk besloot één fan het heft in eigen handen te nemen en zélf een vervolg te verzinnen. Fernández de Avellaneda heette de valsspeler, en als een ware Sancho Panza vond hij ethiek bijzaak als hij centjes kon verdienen. Cervantes liet het daar niet bij en schreef, in 1615, een écht vervolg op het eerste deel van de roman. Daarin speelde hij (net als in het eerste deel) als één van de eerste met de grens tussen auteur en verteller. Hij kruipt zowel in de pen van de vinder van een manuscript waarop het verhaal van Don Quichot staat, als van de vertaler ervan, als van de uitgever.  Al die vertellers hebben zogezegd delen toegevoegd aan de tekst en aarzelen ook niet om tussen te komen als het verhaal hen te onrealistisch lijkt (genre “NOOT VAN DE VERTALER: dit deel lijkt ons wel erg onwaarschijnlijk, dus hecht er maar niet te veel belang aan”/ “NOOT VAN DE UITGEVER: de vertaler weet niet waarover hij praat. Dit is echt gebeurd, want het staat hier geschreven, zwart op wit.”).

quichot uit tekst

Maar Cervantes breekt ook de muur tussen tekst en personage: Quichot en Sancho kruisen voortdurend andere figuren die het eerste deel van de diptiek al gelezen hebben en die hen duidelijk maken dat ze nu sterren zijn, waar de twee helden aanvankelijk vol ongeloof op reageren. Het verhaal wordt al helemaal absurd wanneer de personages ook beginnen te verwijzen naar de verhalen binnen het onrechtmatig geschreven vervolg van Avellaneda. Quichot en Sancho contesteren warempel dat zij van geen Avellaneda willen weten en dat enkel Cervantes als hun chef mag schrijven. Zo breekt de auteur ook de muur tussen tekst en realiteit: de personages nemen deel aan het verhaal, maar zijn zich bewust van hun rol als personages in een tekst, terwijl ze ook nog eens plagiatici veroordelen. Op die manier stelt Cervantes ons voor een probleem: terwijl we in het begin Quichot uitlachten omdat hij geen verschil meer zag tussen fictie en realiteit, merken we nu dat hij eigenlijk gelijk had in de wereld die het tekstkader vormt. Quichot bevindt zich effectief in een context waar romans en de werkelijkheid elkaar overlappen. Is hij dan wel zo dwaas? Halen wij als lezers niet te snel termen als auteur en verteller door elkaar, wat op dezelfde psychose als die van Quichot wijst? En wat betekent dat nu voor literatuur?

Wel, Cervantes schreef er geen auteursnoten bij. “Zoek het zelf maar uit, ik ben moe, en de verzorgster komt mijn oksels sebiet wassen”, kreunde hij waarschijnlijk. Wat Cervantes dus deed, was Quichot maar laten sterven. Oef. Geen gesjoemel meer, geen valse sequels, enkel een beresterk en innovatief meesterwerk. Niet enkel een hilarische roman, niet enkel een krankzinnige die met zijn kop tegen een windmolen loopt, maar één van de groten in de galerij van de West-Europese literatuur. Om écht goed te zijn, moet je muren slopen. Cervantes heeft ze zelf eerst gemetseld, om ze dan pas onderuit te halen. En dat op zijn pensioen. Veel leesplezier.

Sam Ooghe

Reacties

Share.

About Author

Sam Ooghe

Scriptor 2015-2016. Over het algemeen ben ik een eikel, maar ik kom er altijd wel mee weg. Ik draag mijn pet achterover. Kan wel niet skaten.

Leave A Reply