Tijdloze der Poëzie 2017

0

Het lange wachten is eindelijk voorbij! Op deze pagina zullen we dagelijks de top tien van onze allereerste Tijdloze der Poëzie updaten. Op 26 januari 2017, op Gedichtendag dus (“Wauw, is dat met opzet?” Ja dus.), zullen we uiteindelijk onthullen wat het meest geliefde gedicht van de Filologen is!  *tromgeroffel*

Nummer 1: T.S. Eliot – The Waste Land

Nummer 2: Herman De Coninck – Verjaardagsvers

Je zei nooit wat. Ik moest het altijd vragen.
of je van me hield. en je zoende.
of het veilig was die eerste keer.
en je zoende weer.
en even later of ik het goed deed zo
en je zoende, o.

Je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen.
je ogen die helemaal alleen
in je gezicht achterbleven als ik je verliet;
je ogen na geween:
je was er niet,
je keek me aan als verten
en ik moest erheen.

En als ik weer tot daar was
de ogen waarmee je het woord “lieveling” zei,
keek of het niet veranderde
op weg naar mij.
en toen je naast de weg lag in de wei,
wat had je niet allemaal gebroken,
je benen, je ribben, je ogen, mij.
je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen,
zoals je daar lag, te zieltogen,
te zieltogen.

En je ogen die Thomas nu in heeft staan,
waarmee hij zegt: papa niet weggaan –
je zei nooit wat, hij zegt het, en jij kijkt mij aan.

Nummer 3: George Gordon Byron – When We Two Parted

When we two parted
In silence and tears,
Half broken-hearted
To sever for years,
Pale grew thy cheek and cold,
Colder thy kiss;
Truly that hour foretold
Sorrow to this.

The dew of the morning
Sunk chill on my brow–
It felt like the warning
Of what I feel now.
Thy vows are all broken,
And light is thy fame;
I hear thy name spoken,
And share in its shame.

They name thee before me,
A knell to mine ear;
A shudder comes o’er me–
Why wert thou so dear?
They know not I knew thee,
Who knew thee too well–
Long, long shall I rue thee,
Too deeply to tell.

In secret we met–
In silence I grieve,
That thy heart could forget,
Thy spirit deceive.
If I should meet thee
After long years,
How should I greet thee?–
With silence and tears.

If you can keep your head when all about youNummer 4: Rudyard Kipling – If

Are losing theirs and blaming it on you,
If you can trust yourself when all men doubt you,
But make allowance for their doubting too;
If you can wait and not be tired by waiting,
Or being lied about, don’t deal in lies,
Or being hated, don’t give way to hating,
And yet don’t look too good, nor talk too wise:

If you can dream—and not make dreams your master;
If you can think—and not make thoughts your aim;
If you can meet with Triumph and Disaster
And treat those two impostors just the same;
If you can bear to hear the truth you’ve spoken
Twisted by knaves to make a trap for fools,
Or watch the things you gave your life to, broken,
And stoop and build ’em up with worn-out tools:

If you can make a heap of all your winnings
And risk it on one turn of pitch-and-toss,
And lose, and start again at your beginnings
And never breathe a word about your loss;
If you can force your heart and nerve and sinew
To serve your turn long after they are gone,
And so hold on when there is nothing in you
Except the Will which says to them: “Hold on!”

If you can talk with crowds and keep your virtue,
Or walk with Kings—nor lose the common touch,
If neither foes nor loving friends can hurt you,
If all men count with you, but none too much;
If you can fill the unforgiving minute
With sixty seconds’ worth of distance run,
Yours is the Earth and everything that’s in it,
And—which is more—you’ll be a Man, my son!

Nummer 5: EX AEQUO: Hugo Claus – Het Graf van Pernath

Nummer 5: EX AEQUO: Hugo Claus – Marsua

De koorts van mijn lied, de landwijn van mijn stem
Lieten hem deinzend achter, Wolfskeel Apollo,
De god die zijn knapen verstikte en zwammen,
Botte messen zong, wolfskeel, grintgezang.

Toen vlerkte hij op, gesmaad,
En brak mijn keel.
Ik werd gebonden aan een boom, gevild werd ik, gepriemd
Tot het water van zijn langlippige woorden in mijn oren vloeide,
Die ingeweld begaven.

Zie mij, gebonden aan de touwen van een geluidloos ruim,
Geveld en gelijmd aan een koperen geur,
Gepunt,
Gericht,
Gepind als een vlinder
In een vlam van honger, in een moeras van pijn.
De vingernagels van de wind bereiken mijn ingewanden.
De naalden van ijzel en zand rijden in mijn huid.
Mij heeft niemand meer genezen.
Doofstom hangt mijn lied in de hagen.
De tanden van mijn stem dringen alleen meer tot de maagden door,
En wie is maagd nog of maagdelijke bruidegom
In deze branding?

(Een bloedkoraal ontstijgt in
Vlokken mijn hongerlippen.
Ik vervloek
Het kaf en het klaver en de horde die op mijn daken
De vadervlag uithangt — maar gij zijt van steen.
Ik zing — maar gij zijt van veren en gij staat
Als een roerdomp, een seinpaal van de treurnis.
Of zijt gij een buizerd — dáár — een wiegende buizerd?
Of in het zuiden, lager, een ster, de gouden Stier?)

Mij heeft niemand meer genezen.
In mijn kelders is de delfstof der kennis aangebroken.

Nummer 6: Jotie T’Hooft – Soms legt gij zacht doch dwingend

In deze wachtzaal waken slapenden over zichzelf
in hun grauwe kleren lijken zijn geboren
en getogen om eenzaam en dronken te ontwaken.
In dit stasjon zonder treinen.

Maar deze nacht, in deze duisternis
(die hier nu langzaam wegsterft)
werd gij weer mijn kluis, een zacht gehuilde tent
van tederheid alom.
Mijn vrouw, ten eersten male moeder van mij
herboren aan uw bekken.

Soms legt gij zacht doch dwingend
uw handen op mijn dwaas gepraat en
tast gij lager en dieper in mij; omhoog
omlaag omhoog omlaag omhoog omlaag enzovoorts
tot de verlossing.

Soms blaas ik — mond aan mond met je maag —
mijn begeerte je onderlichaam binnen
en terwijl gij dan bovenaan in zacht
gekreun vergaat — als van een verstervend blad —
grijpen uw handen mijn hete schedel vast.
Tot over de oren huil ik in U uit.

Nummer 7: Paul Van Ostaijen – Vers 6

Image and video hosting by TinyPic

Nummer 8: Remco Campert – Lamento

Hier nu   langs het lange diepe water
dat ik dacht dat ik dacht dat je altijd maar
dat je altijd maar

hier nu   langs het lange diepe water
waar achter oeverriet   achter oeverriet de zon
dat ik dacht dat je altijd maar altijd

dat altijd maar je ogen   je ogen en de lucht
altijd maar je ogen en de lucht
altijd maar rimpelend   in het water rimpelend

dat altijd in levende stilte
dat ik altijd zou leven in levende stilte
dat je altijd maar   dat wuivend oeverriet altijd maar

langs het lange diepe water   dat altijd maar je huid
dat altijd maar in de middag je huid
altijd maar in de zomer in de middag je huid

dat altijd maar je ogen zouden breken
dat altijd van geluk je ogen zouden breken
altijd maar in de roerloze middag

langs het lange diepe water   dat ik dacht
dat ik dacht dat je altijd maar
dat ik dacht dat geluk altijd maar

dat altijd maar het licht roerloos in de middag
dat altijd maar het middaglicht   je okeren schouder
je okeren schouder altijd in het middaglicht

dat altijd maar je kreet   hangend
altijd maar je vogelkreet   hangend
in de middag   in de zomer   in de lucht

dat altijd maar de levende lucht   dat altijd maar
altijd maar het rimpelende water   de middag   je huid
ik dacht dat alles altijd maar   ik dacht dat nooit

hier nu langs het lange diepe water   dat nooit
ik dacht dat altijd dat nooit dat je nooit
dat nooit vorst   dat geen ijs ooit het water

hier nu langs het lange diepe water   dacht ik nooit
dat sneeuw ooit de cipres   dacht ik nooit
dat sneeuw   nooit de cipres   dat je nooit meer

Nummer 9: Edgar Allan Poe – The Raven

Once upon a midnight dreary, while I pondered, weak and weary,
Over many a quaint and curious volume of forgotten lore—
While I nodded, nearly napping, suddenly there came a tapping,
As of some one gently rapping, rapping at my chamber door.
“‘Tis some visiter,” I muttered, “tapping at my chamber door—
Only this and nothing more.”

Nummer 10: Arthur Rimbaud – Bannières de mai

Aux branches claires des tilleuls
Meurt un maladif hallali.
Mais des chansons spirituelles
Voltigent parmi les groseilles.
Que notre sang rie en nos veines,
Voici s’enchevêtrer les vignes.
Le ciel est joli comme un ange.
L’azur et l’onde communient.
Je sors. Si un rayon me blesse
Je succomberai sur la mousse.

Qu’on patiente et qu’on s’ennuie
C’est trop simple. Fi de mes peines.
je veux que l’été dramatique
Me lie à son char de fortunes
Que par toi beaucoup, ô Nature,
– Ah moins seul et moins nul ! – je meure.
Au lieu que les Bergers, c’est drôle,
Meurent à peu près par le monde.

Je veux bien que les saisons m’usent.
A toi, Nature, je me rends ;
Et ma faim et toute ma soif.
Et, s’il te plaît, nourris, abreuve.
Rien de rien ne m’illusionne ;
C’est rire aux parents, qu’au soleil,
Mais moi je ne veux rire à rien ;
Et libre soit cette infortune.

Reacties

Share.

About Author

Leave A Reply